Steeds zijn de nachten zolang. 't Is winter. Schimmen van bomen staan gelaten wachtend op het ochtendgloren. Een spel van takken steekt fel af tegen het morgenrood. Verschrikt klapt schichtig een nachtvogel, zijn slaapplaats zoekend voor de dreigende morgen. Een enig schouwspel van de volle maan loopt langzaam naar het einde. De kracht van haar zilverschijn vervaagt, deint weg uit angst voor de golvende gloed van de prille morgen. Mooi, ongerept en geruisloos is de natuur. Stilaan, hier en daar, ontwakende vensters spreiden het licht een goede morgen. Kinderen, diep geborgen in het warme dons, met spleetoogjes vechtend tegen het helder licht en de nakende ochtend. Het is tijd, de hoogste tijd, een nieuwe dag te omarmen. Vader is reeds vertrokken. Zijn werk wacht het klokvast sein, waar machine geraas alle gedachten en dromen verdrijft en het ritme van de band armen en benen laat dansen. Een schouwspel, waar een chef de trommel slaat, en de cadans o...
Kunst in Woord en Beeld